Lowlands PressLOWLANDSPRESS
Polsslag, C.M.R. Thorne
Thorne-thrillers · Deel 3

Polsslag

Een thriller

Zijn horloge registreerde zijn laatste hartslag. Alleen klopt de grafiek niet.

Waar te koop

Iris Havik kent de harten van haar dorp beter dan hun gezichten. Als hartrevalidatie-fysio in Duinhoef leest ze elke ochtend de gegevens van de mensen die naast haar lopen: hun rust, hun herstel, hun slechte nachten. Ze weet wie er te hard van start gaat en wie er iets verzwijgt.

Op een donderdagochtend in oktober vinden ze Bram Selier dood in de duinen. Zijn horloge heeft alles keurig opgeschreven: de laatste loop, de hartslag die om twaalf over zes stopt. Een nette dood, zeggen ze. Het hele dorp gelooft het.

Iris niet. Het hart in die grafiek klopt niet als dat van Bram.

Heeft iemand met de gegevens geknoeid? Droeg hij die ochtend wel zijn eigen horloge? Ze is de enige in Duinhoef die de vraag kan stellen – en langzaam begint ze te begrijpen wat het haar gaat kosten om hem hardop te stellen.

Sommige harten liegen niet. Mensen wel.

Productgegevens

Uitgever
Lowlands Press
Taal
Nederlands
Verschenen
2026-09-04
Pagina's (Paperback)
375
Pagina's (Hardcover)
290
Woorden
87.378
ASIN (E-book)
B0HHRZVDYL
ASIN (Paperback)
B0HL23GQSH
ISBN (Paperback)
979-8171884536

Lees het begin

Het begin van het boek, zoals het in de winkel ook in te kijken is. Verder lezen kan bij de winkels hierboven.

Proloog

4 maart 2019

De monitor boven het bed telt voor hem mee. Dat is het enige wat Hugo Prins nog prettig vindt aan deze kamer: iemand – iets – houdt bij dat hij er nog is. Piep. Piep. Een streepje dat omhoogschiet en terugvalt, omhoog en terug, al drie nachten lang, en zolang het streepje danst, danst hij mee.

Het is even na drieën. Dat weet hij niet van een klok; de klok hangt achter zijn hoofd, en zijn hoofd draaien kost hem meer dan het waard is. Hij weet het van het ziekenhuis zelf, dat rond dit uur zijn adem inhoudt. Geen karretjes op de gang. Geen stemmen. Alleen het zoemen van de apparaten en, ergens ver weg, een deur die op een kier staat en tikt tegen zijn eigen sponning.

Zijn borst voelt vreemd. Niet de pijn van eergisteren, die als een hand om zijn ribben lag en kneep. Dit is anders: een fladderen, alsof er een vogel tussen zijn ribben is gevlogen en de weg naar buiten niet vindt. Hij legt zijn vlakke hand erop, zoals zijn moeder dat vroeger deed als hij niet kon slapen, en voelt het onder zijn palm tekeergaan – te snel, te licht, alsof zijn hart plotseling van iemand anders is.

Boven zijn hoofd verandert het geluid.

De piep wordt een toon. Een aangehouden, dringende toon, en het streepje op het scherm – hij kan het niet zien, maar hij hoeft het niet te zien, hij hoort het aan de manier waarop de toon nu blijft – het streepje is geen berg meer maar een rilling, een handschrift van iemand die beeft. Er komt iemand, denkt hij. Zo werkt het hier. Je maakt geluid en er komt iemand. Dat is de afspraak. Daarvoor liggen ze hier.

Hij wacht.

Op de gang klinken voetstappen – snel, meerdere paren, het geroffel van mensen die ergens naartoe rennen – en heel even zwelt er iets van opluchting in hem op, ze komen, en dan trekt het geroffel voorbij zijn deur en verder de gang op, naar een kamer twee deuren verderop, waar iemand anders vannacht luider roept dan hij. Een andere deur klapt open. Stemmen, kort en hard en vol richting. Iemand roept een naam die de zijne niet is.

De toon boven zijn hoofd houdt aan.

En dan, zonder aankondiging, houdt hij op.

Niet omdat het beter gaat. Hugo weet dat, met de laatste heldere gedachte die hij zal hebben – de gedachte van een man die zijn leven lang machines heeft bediend en weet dat een machine die zwijgt niet hetzelfde is als een machine die tevreden is. Iemand heeft het geluid weggenomen. Ergens, aan een balie die hij niet kan zien, is een hand naar een knop gegaan en heeft het alarm het zwijgen opgelegd – ik loop zo terug, zal die hand gedacht hebben, en toen is die hand ergens anders nodig geweest, bij de naam die luider riep.

Het is goed, wil hij zeggen. Ga maar. Ik wacht wel.

Maar de vogel in zijn borst vindt de weg naar buiten niet, en de kamer is nu heel stil, en de stilte is het ergste van alles – erger dan de pijn, erger dan de angst – want de stilte betekent dat niemand meer meetelt of hij er nog is.

Piep, denkt hij. Alsjeblieft. Nog één keer.

De monitor telt niet meer mee.

Om drieënvijftig minuten na drie 's nachts komt er iemand terug in de kamer. Ze staat een tel te lang in de deuropening, met haar hand nog op de deurkruk, en in die tel gebeurt er iets in haar gezicht wat niemand ziet en wat ze de rest van haar leven met zich mee zal dragen. Dan doet ze wat ze geleerd heeft te doen. Ze roept om hulp. Ze begint. Het is te laat, en ergens tussen de tweede en de derde compressie weet ze dat het te laat is, en ze gaat door, lang nadat doorgaan nog iets betekent.

Veel later, als de kamer weer stil is en anderen hebben opgeruimd wat er op te ruimen valt, staat er in het systeem één regel over deze nacht. Alarm bevestigd, 03:11. Gebruiker: het gedeelde nachtaccount van de afdeling. Verder niets. Geen naam. Geen reden.

Een streepje dat ophield met dansen, en een hand die het geluid wegnam, en niemand die ooit heeft opgeschreven dat die twee dingen dezelfde nacht waren.

Hoofdstuk 1

Iris Havik kende de harten van haar dorp beter dan hun gezichten.

Ze stond die ochtend in de mist bij de opgang naar het strand, bij het houten bord waar DUINHOEF op stond en eronder, kleiner, WELKOM – dezelfde mist die er elke oktoberochtend hing, zout en dik, zodat de duinen pas op tien meter begonnen en de zee helemaal niet – en ze keek naar de dertien mensen die zich uitrekten alsof ze wisten wat ze deden. De meesten wisten dat niet. Dat was juist het aardige eraan. Ze rekten de verkeerde spieren, ademden te hoog, en gingen straks te hard van start omdat de eerste kilometer altijd voelt alsof je het eeuwig volhoudt. Iris hield van ze zoals je houdt van iets waar je verantwoordelijk voor bent.

Aan iedere pols zat dezelfde donkere Apple Watch. Dat was Duinhoef: een dorp waar mensen hun rustpols kenden tot op de slag en hun buurman niet bij naam. Ze hadden de horloges gekocht om beter te worden – sneller, magerder, langer levend – en ze hadden Iris gevonden omdat een horloge je vertelt wát er gebeurt maar niet wat je eraan moet doen. Dat deed zij. Twee ochtenden per week de hardloopgroep, de rest van de tijd de praktijk aan de Vuurtorenweg, waar ze mensen na een infarct weer leerde vertrouwen op een hart dat hen één keer in de steek had gelaten. Havik – Hart & Beweging. Ze had de naam zelf verzonnen en vond hem nog steeds een tikje te vrolijk voor wat ze werkelijk deed, wat neerkwam op één ding: opletten. Iemand moest opletten.

'Rustig aan de eerste,' zei ze, zoals ze het elke keer zei. 'De klok telt niet mee vanochtend.'

Dat was een leugen, en ze wisten het allemaal, want de klok telde altijd mee. Aan het eind van de loop zouden ze in de parkeerplaats staan en op hun pols kijken en het getal aan elkaar voorlezen alsof het rapportcijfers waren. Maar de leugen hoorde erbij, net als de mist en het bord en de zee die er wel was maar zich niet liet zien.

'Iris.'

Ze draaide zich om. Bram Selier kwam de opgang op, laat zoals altijd, met de losse tred van een grote man die nooit heeft hoeven leren hoe hij ruimte inneemt. Achtenveertig, brede schouders, een gezicht dat sneller lachte dan het dacht – de man met wie het hele dorp wegliep. Aannemer. Hij had vorig jaar de dakkapel van Iris' buurvrouw gebouwd en er drie weken langer over gedaan dan afgesproken en de buurvrouw sprak nog steeds over hem alsof hij haar het leven had gered. Zo iemand was Bram. Je kon niet boos op hem worden; het gleed van hem af en het was ook nog eens jouw schuld dat je het geprobeerd had.

'Je bent laat,' zei ze.

'Ik ben op tijd voor de laatste vijf. Dat is efficiënter.' Hij tikte op zijn horloge en trok een gezicht. 'Hij zei vannacht dat ik slecht geslapen heb. Vierendertig procent diepe slaap of zoiets. Alsof dat ding weet wat ik nodig heb.'

'Het weet precies wat je nodig hebt,' zei Iris. 'Jij luistert alleen niet.'

Hij grinnikte, maar er was iets – er was de laatste weken vaker iets, een fractie waarin de lach eerst opkwam en dan pas het gezicht bereikte, alsof er onderweg een station was waar hij even stopte. Ze had het gezien en het weggeschoven op de manier waarop je dingen wegschuift bij mensen van wie je houdt – door er niet nog een keer naar te kijken.

'Loop je vandaag mee of ga je meten?' vroeg hij.

'Ik meet.' Ze hield haar telefoon omhoog, waarop veertien kleine hartjes klopten in een raster, veertien namen, veertien lijnen die straks omhoog zouden kruipen en waarvan zij als enige zou zien welke te snel gingen. 'Iemand moet jullie tegen jezelf beschermen.'

'Daar ben jij goed in,' zei Bram.

Het was een gewone zin. Het soort zin dat je honderd keer per dag tegen elkaar zegt in een dorp waar iedereen elkaar aardig vindt. Maar hij zei het met dat halve station erin, met zijn ogen een tel te lang op haar, en Iris voelde iets langs haar rug lopen wat ze niet kon plaatsen en dus ook maar wegschoof.

'Ga lopen,' zei ze.

Hij ging lopen. Hij nam zijn plek in achter in de groep, waar hij altijd liep – niet omdat hij niet sneller kon, maar omdat hij graag het overzicht had – en toen zette de hele kluwen zich in beweging de mist in, veertien mensen en veertien horloges en een verzameling geheimen waarvan Iris er die ochtend precies één kende, en dat was het hare.

Ze keek ze na tot de mist ze opnam. Eerst de voorsten, dan de middenmoot, dan Bram – zijn brede rug, de rode streep op zijn schoenen, de arm die op de maat van zijn stap heen en weer zwaaide, met aan de pols het horloge dat alles opschreef. Nog acht dagen zou dat horloge om die pols zitten. Op de negende ochtend zou het een leugen vertellen die zo mooi klopte dat een heel dorp hem zou geloven – een heel dorp, op één vrouw na, die de harten kende beter dan de gezichten.

Ze stopte haar telefoon in haar jaszak, blies in haar handen tegen de kou, en keek naar de plek in de mist waar Bram Selier zojuist was verdwenen alsof de zee hem had ingeslikt.