LOWLANDSPRESS

Beeldmateriaal
Een thriller
Een oud dashcamfragment bewijst dat het onderzoek naar de dood van Niek Veldkamp op het verkeerde uur is gebouwd.
Waar te koop
Marten Groenewoud heeft in vijfentwintig jaar veertienhonderd mensen in zijn dorp leren rijden. Hij weet van iedereen hoe ze remmen, hoe ze kijken en waar ze dat niet doen. Als een advocaat hem inhuurt om oud dashcambeeld te verzamelen van de kruising waar in juni een meisje van vijftien is geschept, is het gewoon werk. Een stapel filmpjes, een formulier, een handtekening eronder.
In die stapel zit een fragment dat al acht jaar openbaar in de dorpsapp staat. Vierhonderd mensen hebben het gezien. Ze hebben erom gelachen en zijn doorgescrold, want het gaat over een hufter zonder licht. Niemand heeft gekeken naar wat er achterin beeld hangt. Het bewijst dat het uur waarop het onderzoek naar de dood van Niek Veldkamp is gebouwd, het verkeerde uur was.
"Er is niks gebeurd" is een zin die je alleen zegt als er iets gebeurd is.
Productgegevens
- Uitgever
- Lowlands Press
- Taal
- Nederlands
- Pagina's (Paperback)
- 435
- Pagina's (Hardcover)
- 349
- Woorden
- 102.583
- ASIN (E-book)
- B0HM8CM6NR
- ASIN (Paperback)
- B0HMNVM3HH
- ISBN (Paperback)
- 979-8160819747
- ISBN (Hardcover)
- 979-8161030738
Lees het begin
Het begin van het boek, zoals het in de winkel ook in te kijken is. Verder lezen kan bij de winkels hierboven.
Proloog
DASH_20211113_004037.MP4 duur 00:01:03 1920x1080 29,97 fps audio AAN GPS geen data gedeeld in: Oosterwissel Rijdt Mee (412 leden) 13-11-2021 08:52 40 duimpjes
Het beeld begint te laag en te breed. Onderin zit een stukje dashboard dat er niet toe doet.
Natte provinciale weg. Ruitenwissers op twee. Links de berm, rechts de sloot, en in de verte de oranje gloed van een dorp dat om deze tijd al bijna helemaal uit is. In de rechterbovenhoek staat de tijd ingebrand, wit op zwart, zoals de fabriek het heeft ingesteld en zoals niemand het ooit heeft veranderd: 00:40:37 13-11-2021.
Er is geen aanloop. De koplampen zijn er al.
Ze staan te ver naar links. Ze blijven te ver naar links. De camera ziet ze groeien, en binnen een tel is er een lichte hoge bus die geen zijlicht voert en die de middenstreep pakt alsof die van hem is, en dan een ruk naar rechts van het voertuig waar de camera in zit, het beeld dat kantelt, de berm die omhoogkomt, gras, een paaltje, en het geluid van een man die schrikt. Eén klank, kort.
Dan staat het stil.
Vijfendertig seconden lang gebeurt er niets anders dan een man die scheldt. Hij scheldt tegen een voorruit. Hij noemt de bus dingen die niets met een bus te maken hebben. Er zit geen angst in zijn stem, alleen de opluchting die eruitziet als woede, en ergens halverwege zegt hij tegen zichzelf, zachter, alsof hij het opschrijft: dat hij dit had, dat hij dit gelukkig had.
Hij bedoelt de camera.
Op veertig seconden rijdt hij door. Het beeld richt zich op, de wissers komen weer op gang, het asfalt wordt weer een streep die onder de motorkap verdwijnt. Er is geen tegenligger meer. Er is niets meer.
In de laatste elf seconden kruipt de weg van de polder een dorpsrand in. Links schuift een parkeerplaats voorbij, een laag gebouw, een bushokje zonder mensen, en daarachter een strook grind met een rij metalen palen erop, acht stuks, netjes op afstand, elk met een klein lampje dat in de regen uitloopt tot een vlek.
Aan de vierde paal hangt een kabel.
Hoofdstuk 1
De jongen heette Sem en hij zat in de auto zoals ze er allemaal in zitten de eerste keer: te dicht op het stuur, met zijn schouders opgetrokken tot vlak onder zijn oren, alsof het ding elk moment kon gaan bijten.
'Stoel,' zei Marten.
'Wat is er met de stoel?'
'Die staat goed voor iemand van een meter zestig. Duw hem naar achteren tot je knie nog net een knik heeft als je de koppeling intrapt.'
Sem zocht de hendel met zijn hand, vond hem niet, keek naar beneden, vond hem wel, en schoof zo ver naar achteren dat hij bijna niet meer bij de pedalen kon. Marten liet hem dat drie seconden voelen.
'Iets terug.'
'Zo?'
'Trap de koppeling eens helemaal in. Helemaal. Tot het niet meer kan.' Marten keek naar het been. 'Nu staat je knie gestrekt. Als je dan moet uitwijken, duw je jezelf tegen de leuning in plaats van de auto te sturen. Twee klikken naar voren.'
Het was kwart over acht op een maandagochtend in september. Het regende niet, maar het had geregend, en de Zuivelweg lag er nat en leeg bij. Aan de overkant van het parkeerterrein stonden drie bestelbussen met hun neus tegen de heg, zoals ze er elke ochtend stonden, en verderop draaide een tractor met een gele zwaailamp die niemand nodig had.
'Spiegels,' zei Marten. 'Binnenspiegel eerst. Wat wil je daarin zien?'
'De achterruit.'
'Helemaal. Niet je eigen hoofd, niet de hoedenplank. De hele ruit, en je hoeft er niet voor te bewegen.' Hij wachtte tot het klopte. 'Buitenspiegels. De meeste mensen zetten die te ver naar binnen, want dan zien ze hun eigen auto en dat voelt veilig. Draai hem naar buiten tot je je eigen achterbumper net niet meer ziet.'
'Dan zie ik niks van mezelf.'
'Waar je zelf bent weet je al.'
Ze reden het terrein af, de rotonde over, en naar het industrielint waar de lantaarnpalen genummerd waren en waar op maandagochtend niemand kwam. Sem deed het niet slecht. Hij deed wat ze allemaal doen: hij reed naar het punt waar hij was in plaats van naar het punt waar hij zou zijn.
'Waar kijk je?'
'Naar de weg.'
'Je kijkt naar de motorkap. Kijk naar het einde van de straat en dan komt de motorkap vanzelf goed.'
'Maar dan zie ik niet of ik recht rij.'
'Je voelt of je recht rijdt. Kijken doe je naar waar je heen gaat.' Marten wees met twee vingers naar de verte. 'Dat is geen rijles, dat is hoe lopen ook werkt. Als jij door een deur loopt kijk je niet naar je voeten.'
Bij de derde bocht ging het mis, zoals het altijd ergens misgaat. Er kwam een bezorgbus uit een inrit, te ver naar voren, en Sem trapte alles tegelijk in: rem, koppeling, en een stuurbeweging die hij niet nodig had. De auto stond dwars stil met de neus anderhalve meter van het linkerportier van de bus. De bezorger stak een hand op als excuus en reed door.
Sem ademde snel. Zijn handen lagen nog op het stuur en zijn ellebogen trilden.
'Zo,' zei Marten.
'Sorry.'
'Waarvoor?'
'Ik dacht – ik dacht dat ik hem raakte.'
'Dat dacht ik ook.' Marten keek in de buitenspiegel, zag dat er niets achter hen aankwam, en liet hem staan waar hij stond. 'Maar er is niks gebeurd.'
'Er had wel wat kunnen gebeuren.'
'Dat is iets anders. Dat is wat mensen zeggen als ze willen dat een bijna-ongeluk toch een ongeluk is.' Marten wees naar de plek waar de bus had gestaan. 'Kijk. Jij remde op dertig. Nat wegdek, koude banden, geen ABS-ingreep, want je wielen zijn niet geblokkeerd, anders had je het gehoord. Je stond binnen twaalf meter stil. Hij had nog twee meter nodig gehad om zijn neus helemaal vrij te maken. Er zat ruimte tussen. Er zat zelfs een hoop ruimte tussen.'
'Het voelde niet als een hoop ruimte.'
'Nee,' zei Marten. Hij keek in de spiegel. 'Daarom meet ik.'
Hij liet hem opnieuw wegrijden. Hij liet hem het hele stuk tot aan de brug rijden zonder iets te zeggen, omdat er na zo'n moment niets zo goed werkt als drie minuten stilte.
Bij de brug parkeerden ze. Sem trok de handrem aan met twee handen, wat er belachelijk uitzag, en Marten zei er niets van.
'Uitstappen,' zei hij. 'We gaan een rondje lopen.'
'Om de auto?'
'Om de auto.'
Dat deed hij elke eerste les, al vijfentwintig jaar, en elke eerste les vond de leerling het onzin tot hij halverwege was.
'Vertel me wat je ziet.'
'Een auto.'
'Ja. Wat nog meer.'
Sem liep om de motorkap heen. 'Hij is nat. Er zit modder op de dorpel.'
'Waar komt die modder vandaan?'
'Van de weg?'
'Van de bermen die ze vorige week hebben gemaaid. Dus wat weet je nu over dit stuk weg?'
De jongen dacht na, en dat duurde lang genoeg om echt te zijn. 'Dat het glad kan zijn?'
'Dat het glad kan zijn waar je het niet ziet. Verder.' Marten liep door naar de achterkant. 'Waar staat de zon?'
'Achter ons.'
'En als we straks terugrijden?'
'Dan in mijn ogen.'
'Dan in je ogen, en de zon staat in september om half tien precies op de hoogte waarop je klep niks doet. Dan ga je knijpen met je ogen en dan verlies je de helft van je zicht opzij, en dat merk je niet, want knijpen voelt als beter kijken.' Hij tikte op de achterklep. 'En als hier nu een vrachtwagen zou staan, waar zou hij jou dan niet zien?'
Sem ging op de plek staan waar hij dacht dat het antwoord was, en dat was twee meter naast de goede plek, en Marten verzette hem met een hand op zijn schouder.
'Hier. En dat is de enige plek waar je op een kruising ook echt komt te staan.'
Ze stapten weer in. Marten reed zelf terug naar het terrein en liet Sem het verslag doen van wat er die les was gebeurd, want daar begon hij ze mee, zodat ze na drie maanden konden vertellen waarom iets goed ging in plaats van dat het goed voelde.
Sems moeder reed de parkeerplaats op zonder richting aan te geven. Toen de jongen het portier achter zich had dichtgetrokken, begon Martens telefoon te trillen in de deurbak. Hij liet hem uittrillen, keek de auto na tot die de rotonde om was, en belde toen terug.
'Groenewoud,' zei Bakhuis. 'Heb je pen?'
'Ik heb een telefoon.'
'Ja ja. Prima.' Bakhuis was schaderegelaar bij een van de twee verzekeraars die Marten inhuurden, en hij praatte altijd alsof hij nog vier mensen in de wacht had staan, wat waarschijnlijk klopte. 'Ik heb iets anders dan anders. Geen individuele toedracht. Een patroon.'
'Leg uit.'
'We hebben een aansprakelijkstelling van een gezin. Dochter van vijftien, geschept op de fiets, blijvend letsel aan haar been. Wij gaan niet over het letsel, dat is de WA van de tegenpartij, maar de advocaat van het gezin richt zich op de wegbeheerder. Gebrekkige inrichting. Onoverzichtelijk. Ze zeggen: dit was geen ongeluk, dit was wachten tot het een keer gebeurde.'
'En jullie willen weten of dat klopt.'
'Wij willen weten of er een patroon is. Alles wat ooit is vastgelegd op die kruising. Politieregistraties, schademeldingen van ons en van de anderen, meldingen bij de gemeente, klachten, bijna-aanrijdingen als je die kunt vinden. En beeld.'
'Beeld van een kruising in een dorp.'
'Dashcams,' zei Bakhuis. 'Iedereen heeft er een. Er is daar zo'n groep waar ze dat allemaal in gooien, dat heb ik nagevraagd. Als iemand daar netjes om vraagt krijgt hij een berg.' Er klonk papier aan de andere kant. 'Jij bent daarvan, jij woont er, en jij hebt een bak die niemand anders heeft. Hoeveel mensen heb jij inmiddels lesgegeven?'
'Veertienhonderd.'
'Precies. Jij kunt daar aanbellen.'
Marten keek naar de brug. Er fietste een vrouw overheen met twee kratten voorop en ze deed het zonder haar handen te gebruiken, wat op die brug een slecht idee was en wat ze waarschijnlijk al dertig jaar deed.
'Wat is het tarief?'
'Hetzelfde als anders, plus uren voor de inzameling. Maximaal veertig, en als je eroverheen gaat wil ik het horen voordat je eroverheen bent.'
'Dat is krap voor alles wat ooit is vastgelegd.'
'Daarom bel ik jou en niet een bureau uit Amsterdam.' Bakhuis schoof iets opzij. 'En Groenewoud: dit wordt een dossier dat een rechter leest. Alles gedateerd, alles herleidbaar, niks dat jij zelf hebt bijgeknipt.'
'Dat doe ik nooit.'
'Dat weet ik. Ik zeg het toch.'
Marten pakte het klembord van de achterbank, want hij schreef dit soort dingen op papier, altijd, en zette de datum bovenaan. Maandag 3 september. Hij dacht aan de meiden van de najaarslichting die hij vanmiddag had staan, aan de kachel in de leszaal die het sinds mei niet meer deed, en aan het feit dat een patroononderzoek hem waarschijnlijk zes weken werk opleverde in een maand waarin dat goed uitkwam.
'Geef de locatie maar,' zei hij.
'Even.' Bakhuis klikte iets weg. 'Buitengebied Oosterwissel. Kruising van de provinciale weg met de, wacht, hoe schrijf je dat. Wisseldijk.'